Een ruim 3.000 jaar oud en uniek verhaal

 

Het Oude Aramese Erfgoed (ca. 1100 v. Chr. – 0)
De rijke beschavingen van het Oude Mesopotamië en de Arabische Wereld van het Midden-Oosten zijn welbekend, maar tussen deze beide bestaat er een vaak vergeten tijdperk van zo’n 1500 jaar, waarin het Aramees de voornaamste omgangstaal was in dit gebied.

De precieze oorsprong van de Arameeërs is in nevelen gehuld. In tegenstelling tot de late 19e en vroege 20e eeuwse geleerden, rekenen de huidige experts – dankzij het toegenomen bewijsmateriaal – de Arameeërs tot de groep van Noordwest-Semitische volken die al in het tweede millennium v.Chr. in Noord-Mesopotamië woonden. Kenmerkend voor het Aramese volk was vooral zijn sociaal-politieke infrastructuur in stamverbanden en diverse zelfstandige koninkrijken. Enkele bekende namen zijn: Beth Zamani, Beth Bahiani en Beth Adini; beth is Aramees voor “huis van,” gevolgd door de naam van een belangrijke historische voorvader.  

De drie belangrijkste historische bronnen die concrete maar geen volledige gegevens bieden over de Arameeërs zijn:

1. Aramese inscripties die hoofdzakelijk door heersers van de Aramese koninkrijken zijn opgesteld. De vroegste inscripties dateren uit de periode van hun invloedrijke stadsstaten in Noord-Mesopotamië in het vroege eerste millennium v. Chr. Deze bronnen, die niet allemaal volledig bewaard zijn gebleven, bieden een indruk van de toenmalige religieuze, sociale en politieke maatschappij van de Arameeërs.

2. Neo-Assyrische bronnen van koningen die over hun campagnes tegen de Aramese rijken verhalen. De vroegste tekst over ‘Arameeërs’ stamt uit ca. 1111 v. Chr. Hoogmoedig liet koning Tiglath-Pileser I (1114-1076 v. Chr.) hierin optekenen: “Ik ben opgemarcheerd tegen de Akhlamu Arameeërs, de vijanden van de god Ashur… ik heb hen vermoord, en hun buit en bezittingen, mee teruggenomen.” 

3. Bijbelboeken zoals Genesis, Samuel, Koningen en Kronieken. De laatstgenoemde drie boeken verhalen over de (meestal vijandige) relaties tussen het noordelijke koninkrijk Israël en haar Aramese buren. Interessant genoeg getuigt de Bijbel dat de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob evenals hun vrouwen ‘Arameeërs’ waren en, net als de Nederlanse Arameeërs, hun wortels hadden in Zuidoost-Turkije.

Nadat de Aramese rijken uiteindelijk werden overwonnen door de Assyriërs, verspreidde het gebruik van hun Aramese taal zich allengs over het Midden-Oosten. Tijdens het Perzische Rijk (539-331 v. Chr.) werd het de officiële taal van het Rijk en was het in gebruik van West-Iran tot de Middellandse Zee en zelfs nog verder naar beneden richting Zuid-Egypte, waar het Aramees door lokale Aramese en Joodse gemeenschappen werd gebruikt.

In de Griekse periode (3e-1e eeuw v. Chr.), nadat Alexander de Grote de Perzen had verslagen, bleef het Aramees voortbestaan, nu echter naast het Grieks als de officiële rijkstaal. Het Aramees bleef in populair gebruik in het Oosten (tegenover het Grieks in het Westen) en werd bijvoorbeeld door de Indische koning Asoka (regeerde van 272-231 v. Chr.) gebruikt, getuige de 20e eeuwse gevonden series van religieuze inscripties in Afghanistan.

Vanaf de late periode van de Griekse overheersing ontstonden er tussen de eerste eeuw v. Chr. en de derde eeuw n. Chr. zelfstandige Aramese rijkjes in het Midden-Oosten die ieder hun eigen lokale Aramese schriftsoorten kenden, zoals Palmyra (Tadmor, in het Aramees, was bekend om haar beroemde koningin Zenobia), Petra en Hatra. Vooral bekend als centrum van het vroege Aramese Christendom was Osrhoëne (132 v. Chr. – 244 n. Chr.), met als hoofdstad Edessa (Urhoy in het Aramees; nu Şanliurfa in Turkije), die “de moeder van alle steden in Mesopotamië” werd genoemd door de Arameeërs. 

 

De Erfgenamen van het Aramese Erfgoed (0 – 1000 n. Chr.)
Al ruim vóór de millenniumwisseling hadden de Arameeërs voor de Griekssprekende wereld een ‘naamswijziging’ ondergaan. Vanwege bepaalde externe factoren hebben uiteindelijk ook de Arameeërs, die zich als een van de eerste volken tot het Christendom hadden bekeerd, de naam aanvaard die Griekstaligen al ongeveer vanaf de vierde eeuw v. Chr. hanteerden voor de Arameeërs en de Aramese taal, te weten ‘Syriër; Syrisch’ (‘Suryoyo’ in het Aramees).

Ondanks dat het Hebreeuws de taal van het oude Israëlische koninkrijk was, begonnen ook de Joden na de Babylonische terugkeer (6e eeuw v. Chr.) steeds meer gebruik te maken van het Aramees. Grote delen van de Bijbelboeken Ezra en Daniël zijn in deze zustertaal geschreven en via de Joodse tradities bewaard gebleven. In de tijd van Jezus Christus had het Aramees ook in Israël de status verworven van primaire omgangstaal. Zo zijn er ondermeer de bekende Dode Zee-rollen bekend die in 1947 door de wijlen Syrisch-orthodoxe bisschop van Noord-Amerika en Canada Yeshu’ Athanasius Samuel aan de wereld zijn geopenbaard en waarvan vele waardevolle teksten in het Aramees bleken te zijn geschreven.

Met de arabisering van het Midden-Oosten vanaf de zevende eeuw n. Chr., was het Arabisch er bijna in geslaagd om het Aramees volledig te assimileren. Maar ondanks de zware verliezen die de Aramese taal heeft geleden, is het Aramees vooral in geïsoleerde bergstreken bewaard gebleven door enkele islamitische, Joodse en Mandese groepen, maar vooral door diverse grote groepen christelijke Arameeërs. Dankzij de ijverige en vreedzame zendingsactiviteiten van de Arameeërs werd met name de Edessaanse vorm van de Aramese taal verspreid over grote delen van het Midden-Oosten tot in China.

Doordat dit dialect was ontstaan in (de regio) van Edessa staat het wel bekend als “Edessaans Aramees.” In plaats van de inheemse benaming ‘Aramees’ gebruikt men als synoniem ook wel de van oorsprong Griekse term “(Klassiek) Syrisch.” Tegenwoordig dient het Edessaans primair als literair en liturgisch dialect. De Arameeërs spreken een andere Aramese variant die is ontstaan in het zuidoosten van Turkije, in de regio Tur-‘Abdin (Aramees voor “Berg van de dienaren [van God]”). Dit dialect noemt men modern/Neo-Aramees of Tur-‘Abdin Aramees.

De Aramese ofwel Syrische tradities voeren de stichting van hun kerk terug tot de apostel Simon Petrus (het Aramese kefa/kiefo en het Griekse Petra betekenen “rots”). Volgens de Handelingen van de Apostelen (11:26) werden de volgelingen van Jezus Christus voor het eerst ‘christenen’ genoemd in Antiochië, de toenmalige hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië (Aram; ook wel Aram-Damascus genoemd in de Bijbel, bijv. 2 Sam. 8:5).

Vanuit Antiochië, het huidige Antakya in Turkije, is het evangelie vroeg naar Edessa en Tur-‘Abdin gebracht in Zuidoost-Turkije. De vroege kerstening van het Midden-Oosten is te herkennen aan de talrijke kerken en kloosters die er met name vanaf de vierde eeuw zijn gesticht. De Aramese kerken hebben ooit een periode gekend waarin zij konden beroemen op vele duizenden monniken en nonnen. De 4e-7e eeuw was voor hen een (literaire) bloeiperiode. In de daarop volgende eeuwen keken de Arameeërs met trots terug op deze gouden tijden.

Door de islamisering en de arabisering vanaf de zevende eeuw n. Chr. zijn de christelijke Arameeërs en hun Aramese taal in de Arabische schaduw beland. In de beginperiode werden zij getolereerd vanwege hun gespecialiseerde (talen)kennis. Zij vertaalden bijvoorbeeld vele Griekse wetenschappelijke werken in het Aramees en/of direct in het Arabisch. De christelijke Arameeërs en hun taal vormden zodoende een culturele brugfunctie in de kennisoverdracht van de oude Mesopotamische en Griekse samenlevingen naar de Arabische wereld. Deze Arabische teksten werden nadien in het Latijn vertaald, waardoor de Mesopotamisch-Griekse kennis ook ingang vond in de middeleeuwse Europese samenlevingen.

 

Erfgoed Bedreigd en de Aramese Diaspora (1000 – 2009 n. Chr.)
Vanaf het begin zijn de Arameeërs periodiek vervolgd en onderdrukt door diverse volken (bijv. Assyriërs, Romeinen, Arabieren, Turken, Koerden) om hun christelijke en etnische identiteit. Dat heeft er toe geleid dat de meeste Arameeërs nu in de diaspora leven, in een verstrooiing buiten hun traditionele land van herkomst, waardoor hun antieke erfgoed wordt bedreigd.

De 11e tot en met de 13e eeuw is door geleerden omschreven als de ‘Aramese renaissance’. Na de gruwelijke vervolgingen door de Mongool Timur Lenk rond 1400, het effect van de Zwarte Dood en de pest trekt de inmiddels sterk gedecimeerde Aramese gemeenschap zich echter massaal terug in moeilijk toegankelijke bergachtige gebieden, zoals de Tur-‘Abdin. Hierdoor nemen hun literaire werkzaamheden en intellectualiteit af en het onvermijdelijke gevolg is een duistere periode die gekenmerkt wordt door achteruitgang, analfabetisme en verval.

Gelukkig voor de Arameeërs, én voor het levende werelderfgoed, was het licht nog niet helemaal uitgegaan voor de Arameeërs en hun aangetaste culturele erfgoed. Via Westerse imperialisten, missionarissen en archeologen uit Europa (met name Engeland, Frankrijk en Duitsland) en de VS verschijnen zij in de tweede helft van de 19e eeuw opnieuw in beeld. Weliswaar werden zij door hen beschouwd als de laatste resten van een oeroude en verloren beschaving, maar werden zij onterecht voor ketterse christenen aangezien. Geleerden hebben dit vertekende beeld inmiddels bijgesteld en rekenen de Aramese christenen juist tot de oerchristelijke traditie en tot een intellectuele bevolkingsgroep.

Door de herhaaldelijke en toenemende vervolgingen door Koerden en Osmanen/Turken in de 19e en 20e eeuw hebben zij hun thuisland moeten verlaten. Het dieptepunt was de Ottomaanse Genocide op de Armeniërs, Grieken en Arameeërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). In de mondelinge overlevering staat deze periode beter bekend als de  Sayfo, Aramees voor “het [islamitische] zwaard.” Zo’n 500.000 onschuldige Arameeërs werden op onmenselijke manieren van hun leven beroofd. Nabestaanden van de slachtoffers strijden nog steeds voor Turkse en internationale erkenning van deze systematische uitroeiingspogingen onder regie van de ‘Jong Turken’. In de naoorlogse periode vonden er grote immigratiegolven plaats uit Zuidoost-Turkije naar de Arabische buurlanden, Noord-Amerika en Australië.

De ideologie van het nationalisme die door Westerlingen naar het Midden-Oosten was geëxporteerd, heeft de Aramese gemeenschap zichtbaar beïnvloed. Behalve negatieve gevolgen, zoals de politieke versplintering, hebben nationalistische ideeën bijgedragen aan de toenemende bewustwording van de rijkdommen van het oeroude culturele erfgoed van de Arameeërs en hebben ze tevens geleid tot een geleidelijke wederopstanding en wederopbloei van dit Semitische en Bijbelse volk dat de tand des tijds miraculeus heeft doorstaan.

 

Citeer dit artikel als J. Messo, “Het Aramese Erfgoed: Een ruim 3.000 jaar oud en uniek verhaal,” gepubliceerd op 15 juni, 2009, opwww.Aramea.nl 

Omhoog