De Vorming van de Aramese Gemeenschap in Hengelo*

Johny Messo & Sylvia Onsal (2005)
 

De gemeente Hengelo telt anno 2005 ongeveer 500 christelijke gezinnen die afkomstig zijn uit het Midden-Oosten. Hoewel zij officieel geregistreerd staan naar land van herkomst (b.v. Turkije, Syrië, Irak of Libanon), zijn zij geenszins (bekeerde) Turken, Arabieren of Koerden. Zij onderscheiden zich immers nadrukkelijk van de laatstgenoemden, voornamelijk op grond van hun geloofsovertuiging, taal, historie en lotsbestemming. We hebben het over Arameeërs, een onbekend en staatloos volk dat sinds enige decennia over de hele wereld uitgezworven is.

In deze bijdrage beperken wij ons evenwel tot hun relatie met de Overijsselse stad Hengelo en wordt een heldere beschrijving gegeven van de identiteit, de vluchtmotieven, de komst en de huidige situatie van de Hengelose Arameeërs. Vier identiteitsaspecten in het bijzonder zijn onontbeerlijk voor een beter verstaan van de Arameeërs. In het vervolg van dit artikel zullen we ze slechts beknopt bespreken.

Herkomstgebied

De arbitraire verdeling van het Midden-Oosten aan het begin van de 20eeuw pakte ongunstig uit voor de Arameeërs. Het gebied waarin hun voorouders sinds mensenheugenis woonden en waarin zij van tijd tot tijd progressieve samenlevingen wisten op te bouwen, werd immers verdeeld over de nieuwgevormde staten Turkije, Syrië en Irak. Om het gemis van een natie, een (semi-)autonoom land, enigszins te compenseren, identificeren velen zich met het ruimere, abstracte begrip Beth-Nahrin – Aramees voor “Mesopotamië,” een streek tussen de rivieren Eufraat en Tigris die door de voornoemde drie landen stromen. Arameeërs uit Zuidoost-Turkije verwijzen meestal eveneens naar het toponiem Tur ‘Abdin – Aramees voor “de berg der dienaren [Gods].” Gezien de talrijke kerken en kloosters in deze (voormalige) christelijke regio, die ver teruggaan in de tijd, is dit een passende nomenclatuur.

Moedertaal

Het Aramees, beter bekend als de taal van de Bijbel en van Jezus Christus, is een van de weinige talen in de wereld die al ruim 3.000 jaar gesproken én geschreven (van rechts naar links!) wordt door de Arameeërs. Als gevolg daarvan is er een variëteit aan dialecten ontstaan, waarvan er twee bij onze groep Arameeërs te vinden zijn. Het eerste dialect is een eeuwenoud patois dat zich in de regio van Tur ‘Abdin ontwikkeld heeft. Naast dit schriftloze Tur ‘Abdin Aramees, koesteren zij eenliterair dialect dat ooit in Edessa (Zuidoost-Turkije) en omstreken wortel schoot; dikwijls “Edesseens (Aramees)” of “(Klassiek) Syrisch” genaamd. Bevoegde leraren (malfone) onderwijzen dit dialect, dat vooral dienst doet in de liturgie van de Aramese kerken en hun literatuur (b.v. tijdschriften), in de kerken en tot voor kort ook op basisscholen.

Het christelijk geloof

De Arameeërs behoren tot de eerste volken die massaal tot het Christendom overgingen. Vanuit Syrië bloeide het Christendom al vroeg op in Mesopotamië en veel bekeerlingen adopteerden destijds de Griekse term ‘Syriërs’ (Suryoye in het Aramees). Deze Arameeërs of Syriërs scheidden zich in de vijfde eeuw af van de staatskerk. Een van de twee grote Aramese kerken werd ‘Syrisch-Orthodox’ (dikwijls onterecht ‘monofysieten’ of ‘Jakobieten’) genoemd. Vrijwel alle Hengelose Arameeërs behoren tot deze gezindte, wier geloofsbelijdenissen in essentie niet veel afwijken van de katholieke en protestantse kerken.

Verschillende benamingen

In de periode vlak na hun komst naar Nederland schreven de media over ‘Kerk-Turken’ en ‘Christen-Turken’. Kort erna werden zij ‘Syriërs’ genoemd. De gemeenschap wenste zich evenwel ook van deze ongelukkige naam te ontdoen wegens de onvermijdelijke associaties ervan met de “Syrische Arabische Republiek.” Later ontstonden er als het ware twee kampen die geheel verschillende namen én ideeën verdedigden: ‘Assyriërs’ en ‘Arameeërs’. Vanaf 1986 hoopten sommigen op een neutrale en verzoenende term. De introductie van de onvertaalde zelfbenaming Suryoye (‘Syriërs’), nog altijd wijd gebruikt, kon echter niet verhelpen dat de twee voorchristelijke namen tot op heden populair zijn.

Exodus uit Beth-Nahrin

De Hengelose Arameeërs zijn grotendeels afkomstig uit de landen Turkije, Syrië en Irak. Hoewel er Arameeërs uit Libanon woonachtig zijn in Hengelo, is deze groep relatief klein. Vandaar dat we ons zullen beperken tot drie staten die na de Eerste Wereldoorlog ontstaan zijn ten gevolge van een onbillijke verdeling van Beth-Nahrin en waarvan de gevolgen nog doorwerken.

Turkije

Vanaf de 19e eeuw kregen christelijke Arameeërs periodieke vervolgingen te verduren in de zuidoostelijke regio van wat sinds 1923 de “Republiek Turkije” is gaan heten. De daders bestonden uit Koerdische clans, Ottomaanse soldaten en vrijgelaten gevangenen. De massamoorden uit de jaren 1843, 1895-96 en 1914-15 zijn de meest bekende. Ook na de stichting van Turkije kreeg het intussen sterk gedecimeerde Aramese volk, dat nu afgezonderd werd van zijn volksgenoten buiten de Turkse grenzen, het zwaar te verduren. De Turkse autoriteiten besloten toen om haar minderheden een Turkse identiteit op te dringen. Zo werd het onderricht in de Aramese taal officieel verboden; christelijke gebedshuizen mochten niet gerestaureerd worden; Aramese plaats- en familienamen moesten plaatsmaken voor Turkse namen; op de arbeidsmarkt werden zij gediscrimineerd, en zo meer. Bovendien erkent Turkije de Arameeërs, in tegenstelling tot christelijke Grieken, Armeniërs en Bulgaren, nog steeds niet als afzonderlijke entiteit. Vanuit dergelijke omstandigheden werd bij de Arameeërs het verlangen aangewakkerd om het land van hun voorvaderen te verlaten.

Vlak na WO II bood de Europese roep om Turkse gastarbeiders een serieuze optie voor frisse arbeidskrachten. Zo vestigden tussen 1965-1975 een handvol Aramese arbeiders, die nadien met hun gezinnen uit het thuisland herenigd werden, zich o.m. in de industriestad Hengelo. Overigens reisden velen vanuit Tur ‘Abdin toen ook af naar steden in West-Turkije, zoals de metropool Istanbul, in de hoop daar betere levensomstandigheden aan te treffen. In 1975 stopte Nederland de gastarbeidersstroming, waarna Arameeërs in toenemende mate asiel aanvroegen als religieuze en politieke vluchtelingen. Rond dezelfde periode werden er diverse vormen van Koerdisch geweld tegen christelijke Arameeërs in de regio gerapporteerd en nam de angst toe onder de afnemende groep achterblijvers in Tur ‘Abdin. Er heerste vrees voor hernieuwde aanvallen in een inmiddels sterk toegenomen islamitisch milieu, dat vooral aangescherpt werd door de burgeroorlog in Libanon en nadien door het conflict rondom Cyprus. De hevige strijd tussen de PKK en het Turkse leger leidde de laatste vluchtmotieven in. Het is opmerkelijk dat er heden ten dage meer Tur ‘Abdin Arameeërs in Overijssel wonen dan in geheel Tur ‘Abdin, alwaar in 1965 om en nabij 20.000 en tegenwoordig nog slechts zo’n 2.000 Arameeërs leven.

Syrië

Vlak na de grote Genocide en de stichting van de Turkse staat, braken er roerige tijden aan voor de Arameeërs in Turkije. Vooral de Turkse binnenlandse politiek leidde ertoe dat veel Aramese gezinnen het ongunstige klimaat in Turkije ontvluchtten naar de naburige Arabische landen, waaronder de “Syrische Arabische Republiek” die destijds nog onder Frans mandaat stond. Aramese families uit Edessa vertrokken in 1922 en 1924 massaal naar het Syrische Aleppo. Ook talloze Arameeërs afkomstig uit Tur ‘Abdin vluchtten toen naar Noordoost-Syrië, waar nieuwe steden opbloeiden of ontstonden. Bijvoorbeeld de in 1926 gestichte stad Qamishli, enkele meters voorbij de Turkse grens, telt naar verluidt nog ca. 25.000 Arameeërs; de gemeente Hengelo telt vandaag een onbekend aantal Aramese gezinnen uit deze plaats. Zelfs het Syrisch-Orthodoxe patriarchaat, dat sinds 1160 in Zuidoost-Turkije gevestigd was, werd in 1932 naar Homs en in 1959 naar Damascus verhuisd, waar de Patriarch nu nog zetelt. In Syrië genoten de gevluchte Arameeërs verhoudingsgewijs meer vrijheden. Voor politieke partijen en opvattingen, die ideologisch indruisten tegen die van de Arabische regimes, was er echter geen plaats. Dit bemerkten vooral leden van de Assyrische Democratische Organisatie (1957 gesticht), die vanaf de beginjaren 1980 in toenemende mate politiek asiel aanvroegen in Nederland en hier vervolgens in alle vrijheid hun politieke ideeën verder konden verspreiden.

Irak

Arameeërs uit Tur ‘Abdin en de nabijgelegen bergstreken in Zuidoost-Turkije vluchtten ook naar Irak, waar Arameeërs al enkele millennia gesetteld zijn. De situatie in Irak, dat weliswaar in 1921 gesticht was maar pas sinds 1946 daadwerkelijk onafhankelijk werd, is te vergelijken met die van de Arameeërs in Syrië. Ook in Irak heerste er in vergelijking met Turkije een democratischer en meer seculiere samenleving voor de Arameeërs. En evenals in Syrië werden politieke en nationalistische aspiraties die niet van overheidswege bepaald waren, hardhandig de kop ingedrukt. De massale toestroom van Aramese vluchtelingen uit Irak kwam evenwel pas op gang na de Eerste en recentelijk ook na de Tweede Golfoorlog.

 

Aankomst en vestiging

De eerste twee Aramese gastarbeiders die in 1965 Tur Abdin verlieten en naar Nederland kwamen, vestigden zich in Hengelo. In Turkije hadden zij voor een Amerikaans bedrijf gewerkt en de nodige werkervaring opgedaan in de technische sector. Nederlandse wervingsbureaus hebben hen naar Nederland gehaald en in Hengelo te werk gesteld. Deze twee mannen – Hanna Kulhan en Bahhe Üncü – waren afkomstig uit de stad Midyat, in Zuidoost-Turkije. Na vijf jaar gewerkt te hebben, o.a. bij Stork, werden zij met hun gezinnen herenigd die zich eveneens in Hengelo vestigden. Op kosten van het bedrijf mochten zij naar Nederland komen.

Deze twee mannen hadden al snel een aantrekkingskracht voor andere familieleden en kennissen in het thuisland om ook als gastarbeiders naar Hengelo te komen. Men zocht elkaar op en vestigden zich allen bij elkaar in de buurt. Dit bracht met zich mee dat, ongeacht of er sprake was van familiebanden, Arameeërs zich in Hengelo gingen vestigen. De groepscultuur is belangrijk voor hen. Zo had men de taal, cultuur en gewoonten met elkaar gemeen en niet te vergeten kon men elkaar zo ook ondersteunen.

Vanaf 1975 komen er geen gastarbeiders meer naar Nederland. De eerste politieke vluchtelingen doen dan hun intrede. De situatie in Turkije is op dat moment aan het verslechten voor de christenen, met name door het Turks-Cypriotische conflict en de strijd tussen links en rechts in Turkije. De Arameeërs zochten hun heil in christelijke landen o.a. Europa. De eerste stroom politieke vluchtelingen vestigde zich dan ook in Nederland onder meer in Hengelo. Zoals boven al beschreven is, viel de keuze op Hengelo omdat hier hetzij familie hetzij kennissen woonden; er waren hier in ieder geval volksgenoten en dat was voor velen een belangrijke factor. De groep die zich al een aantal jaren in Nederland gevestigd had, hielp de nieuwkomers vrijwillig. Moest er iemand naar de doktor of naar de vreemdelingenpolitie, dan kwam er een ‘ingeburgerde’ kennis mee. Zo werd er voor elkaar gezorgd op allerlei ondersteunende terreinen. Voor deze diensten werd geen geld gevraagd.

De eerste politieke vluchtelingen kwamen vanaf 1975 naar Nederland. Tijdens het kabinet Den Uyl in maart 1976 kregen ruim 50 Arameeërs een generaal pardon. In 1977 vond er een tweede generaal pardon plaats en mochten tot 80 mensen in Nederland blijven. Na het tweede generaal pardon vond er een individuele toewijzing plaatst. Bij de aanvraagprocedure was het criterium “persoonlijk ondervonden leed” toegevoegd voor de Turkse politieke vluchtelingen. Dit extra criterium maakte het voor de Arameeërs moeilijk om een verblijfsvergunning te ontvangen.

Kerkbezetting

Na verscherping van de toelatingscriteria volgden veel afwijzingen. Een groep Hengelose vrijwilligers, onder leiding van de huidige monnik Hanna Aydin, (hij is nu in het klooster Mor Ya`qub d-Sarugh in Warburg) had besloten om in actie te komen. Een priester uit Den Bosch, genaamd Nico, adviseerde deze groep om de Sint Jan kathedraal in Den Bosch te bezetten. Na veel beraad werd dit advies opgevolgd in de hoop dat deze mensen een verblijfsvergunning konden afdwingen. Op Goede Vrijdag 13 april 1979 werd de Sint Jan kathedraal in Den Bosch bezet door 200 mannen, vrouwen en kinderen Om 17.00 uur was de kerkdienst afgelopen en alle Arameeërs bleven op hun plaats zitten. De priester kwam erbij en kondigde het einde van de dienst aan. De bezetters antwoorden echter dat ze niet van plan waren om de kerk te verlaten. Spoedig kwamen de politie en de pers er op af en was deze actie het hoofditem op het acht uur journaal. De actievoerders hadden gedacht dat ze met Pasen weer thuis zouden zijn: drie dagen werden echter 93 dagen. Geen dag ging voorbij dat ze niet op het nieuws waren geweest.

Bisschop Bluyssen had zich ingezet voor hun belangen bij justitie. Tegen het einde van de bezetting bezocht ook de Syrisch-Orthodoxe Patriarch, Mor Ignatius Yakub III, uit Damascus hen. Hij ging tevens op bezoek bij de staatssecretaris van justitie. Er werd een parlementaire discussie gehouden over de Arameeërs. De Raad van State deed in september 1979 een uitspraak, waaruit volgde dat het criterium ´persoonlijk ondervonden leed´ werd geschrapt. Alle zaken werden herzien, waardoor het merendeel van de Aramese families een verblijfsvergunning kreeg, op een groep van 41 mensen na.

Na toekennen van een verblijfsvergunning kwamen veel families in pensions terecht, zoals aan de Javastraat in Hengelo. De eigenaren van dit huis waren wijlen Garibo Bulut en Afram Geçer. Dit was een vooroorlogse woning die eigenlijk niet in goede staat verkeerde en erg vochtig was. In dit huis woonden wel 24 tot 30 mannen. Betere alternatieven hadden zij echter niet. Een tweede pension werd later geopend aan de Antoniusstraat door wijlen Pitrus Çantekin. De Arameeërs kenden ook niet de weg naar de Hengelose sociale instanties om een woning aan te vragen. Men was op elkaar aangewezen. Nadat men een verblijfsvergunning ontving, ging men een woning kopen of huren. Veel van de eerste generatie mannen die in de fabrieken werkten, kocht een woning. Iedereen die een woning had, gaf vervolgens onderdak aan familieleden en kennissen die nieuw naar Nederland kwamen. Deze vorm van elkaar helpen en het verlenen van onderdak duurde in de jaren 1980 voort. In deze periode en ook in de jaren 1990 werd er hulp en onderdak geboden aan de familieleden uit Syrië.

Gemeenschapsgebouw

Fikri Sumer was vanuit Amsterdam gevraagd om als tolk en begeleider te fungeren voor de Aramese gemeenschap in Hengelo. Hij werd te werk gesteld bij Stichting Buitenlandse Werknemers aan de Deldenerstraat. Hij had goede connecties met Raad van Kerken en vluchtelingenwerk. Er werd hem geadviseerd dat er een Syrisch-Orthodoxe priester moest komen. Samen met dominee André Fokkema ging hij naar München om de Patriarch, die daar was, te bezoeken. Aan hem hadden ze de situatie voorgelegd dat er een geestelijke nodig was. Een week later werd de toenmalige monnik Hanna Ibrahim (hij is nu bisschop van Aleppo in Syrië) naar Hengelo gestuurd. Meer en meer Arameeërs vestigden zich in Hengelo. De vraag naar een Syrisch-Orthodoxe kerk bleef groeien. Voorheen bezocht men protestantse en katholieke kerken waar men met hun gebrekkige Nederlands de diensten volgde. Ondertussen waren er een aantal Aramese gezinnen in Hengelo met kleine kinderen. De behoefte aan onderwijs in de eigen taal steeg naarmate de tijd vorderde. In de katholieke Ludgeruskerk aan de Industriestraat werd er kerkelijk onderricht gegeven aan de Aramese kinderen door Aman Inan.

De monnik Hanna Ibrahim wist met behulp van de gemeenschap een kerkruimte te kopen. In 1976 werd er in de Helmerstraat, een voormalig schoolgebouw gekocht van de Gereformeerde gemeenschap. Op dat moment waren ruim 75 Aramese mannen in Hengelo. Elke man legde duizend gulden neer en de rest van het geld dat nodig was voor de aankoop van de kerk betaalde de Raad van Kerken. In 1977 werd dit gebouw, dat de St. Johannes de Apostelkerk is gaan heten, door Mor Ignatius Yakub III ingewijd. Deze kerk geldt als de eerste Syrisch-Orthodoxe kerk in Europa! In een periode van ruim vijf jaar zijn er diverse monniken en priesters geweest die de kerkelijke diensten begeleidden. Een van deze monniken was bisschop Mor Julius Jesuh Çiçek die in Glane zetelt en op 29 oktober 2005 is overleden. Hij heeft ruim een jaar in een van de bovenkamers van de kerk gewoond en werd in 1979 tot bisschop van midden Europa gewijd.

In 1981 werd Gabriël Kaya uit Duitsland geworven en als priester gewijd voor de St. Johannes de Apostelkerk. Naast zijn eigen parochie verleende hij geestelijke zorg en diensten aan de Syrisch-Orthodoxe gelovigen in de Beneluxlanden en Frankrijk. Gaandeweg nam de populatie in Hengelo en andere steden in Twente toe door nieuwe vluchtelingengolven en werden ook in deze steden kerken gekocht en priesters gewijd. De populatie Arameeërs in Hengelo en omgeving bleef groeien en de kerk werd te klein. In 1994 is er grond aan de Sportlaan Driene gekocht om een nieuwe kerk- en gemeenschapsruimte te bouwen. Met gemeenschapsgelden uit heel Europa werd de kerk gefinancierd. Kerst 1995 was de kerk geheel klaar en konden de gelovigen het betreden. De inzegening vond plaats in de lente van 1996. De huidige priester van de St. Johannes de Apostelkerk is Samuel Dogan. Priester Gabriel Kaya is verhuisd naar de Mariakerk aan de Sportlaan Driene.

Verenigingsleven

In de eerste jaren dat de Arameeërs zich in Hengelo hadden gevestigd werd er ‘automatisch’ vrijwilligerswerk geleverd. Er was veel inzet vanuit de gemeenschap om de naasten te helpen bij de vestiging, arbeid en sociaal-maatschappelijke hulp. Er ontstond behoefte aan een echte vereniging. Zo ontstond in 1980 de vereniging Tur ‘Abdin, genoemd naar het gebied waar vrijwel alle Arameeërs uit Hengelo vandaan kwamen. In de beginjaren, toen de vluchtelingenproblematiek de nodige aandacht vergde, waren de contacten met de achterban zeer nauw. Er werd veel beroep gedaan op hulp van Tur ‘Abdin. Naarmate de vluchtelingenproblematiek afnam, wijzigde de invulling van de activiteiten. Activiteiten met een cultureel tintje maar ook informatieve zaken worden nu voor de eigen achterban georganiseerd.

In 1989 werd de tweede Aramese vereniging opgericht. Deze vereniging heet Baradaeus. Jacobus Baradaeus (490?-578) was een beroemde en prominente kerkvader van de Syrisch-Orthdoxe kerk. Beide Aramese verenigingen organiseren nog steeds soortgelijke activiteiten als Tur ‘Abdin. Dit kunnen culturele activiteiten, informatiebijeenkomsten of filmavonden voor jongeren zijn. In de zomer van 2005 heeft Baradaeus voor een twintigtal jongeren een reis georganiseerd naar Tur ‘Abdin. Hier konden de jongeren kennismaken met het herkomstgebied, cultuur, taal en de oorsprong van hun religie en identiteit. Deze reis heeft bij de jongeren een grote indruk achtergelaten, besef gekweekt waar ze vandaan komen en waarom ze nu juist in Nederland wonen.

In 2003 werd er een Stichting Studiecentrum Aramea in Hengelo opgericht. Deze stichting werkt al enige tijd aan het bouwen van een virtueel land voor Arameeërs in de diaspora en aan het opzetten van een professionele cursus over Arameeërs in de regio. Ook zullen lezingen, workshops en publicaties over de Arameeërs volgen in 2005/2006.

Arbeid en studie

Een blik op de geschiedenis laat zien dat Arameeërs een volk is van ambachts- en handelslieden. Dit handelsbloed is in de loop der eeuwen niet verloren gegaan. Veel Arameeërs waren in Istanbul en/of Tur ‘Abdin van beroep bijvoorbeeld kleermaker. Het was dan ook een logische keuze om in Nederland een confectiebedrijf te starten. Het vakmanschap en ervaring in het vak hadden ze al. In 1981 werd het eerste confectieatelier in Hengelo geopend. Dit werd aanleiding voor anderen om ook een eigen onderneming op te zetten. Het personeel bestond bijna altijd uit Arameeërs die het vak al kenden of ze leerden het gaandeweg in de werkvloer. Deze confecties speelden tot eind jaren ´80 een belangrijke rol. Door interactie met de gemeenschap in Zweden kwam men er achter dat in de horeca ook geld te verdienen viel. De confectie werd verruild voor de horeca. Op een gegeven moment waren er alleen al in de Willemstraat vier horecazaken in handen van Arameeërs.

Tevens zijn er juwelierszaken geopend. De meeste eigenaren hadden in Turkije een eigen zaak en hebben als kind met goud gewerkt. Daar hebben ze het échte vakmanschap geleerd. De ondernemersdrift is niet alleen bij de eerste generatie blijven steken. Bij de jongeren zit het duidelijk ook in het bloed. Naast de horeca opent de tweede generatie bijvoorbeeld kledingzaken, kapperszaken, verzekeringsbedrijven, advocatenpraktijken, tandartspraktijken, autogarages, import- en exportwinkels, et cetera.

De eerste groep kinderen die in Hengelo kwamen wonen gingen veelal naar de voormalige christelijke Visserschool (Korhoenstraat), De Bron (H. Woodstraat) en De Fontein die tegenwoordig Het Kompas heet (J. Perkstraat). Op deze basisscholen werkte onder meer Zeki Dag als OALT-leerkracht en leerde de kinderen o.a. lezen en schrijven in het Aramees. Na de basisschool stroomden de kinderen door naar het voortgezet onderwijs. Ook hier werd er gekozen voor een christelijke school. Ouders vinden dit belangrijk omdat het aansluit bij hun christelijke opvatting.

Ondanks dat de ouders vroeger in Turkije geen kans hebben gehad en soms analfabeet zijn wordt onderwijs erg gestimuleerd. Velen Aramese scholieren behaalden het voortgezet onderwijs en stroomden door naar hoger- en wetenschappelijk onderwijs. Het studeren in Nederland werd dus aangemoedigd. In de jaren ’90 studeerden de eerste advocaten, economen en een arts af. Zij werden een voorbeeld voor de rest van de gemeenschap om te gaan studeren. Hedentendage zijn er veel scholieren op De Grundel op verschillende niveaus.

Sinds 2001 bestaat er de mogelijkheid voor Aramese en Turkse kinderen om huiswerkbegeleiding te krijgen door studenten of werkenden met minimaal HBO-niveau. In de Mariakerk vindt er dagelijks huiswerkbegeleiding plaats voor de Aramese kinderen. Zij krijgen hierbij de ondersteuning en hulp die zij vaak thuis niet kunnen krijgen van hun ouders. Dit project loopt al enige jaren goed en draagt bij dat scholieren beter gaan presteren op school.

Zij studeren dooreren vervolgen hun studie op bijvoorbeeld ROC van Twente, Saxion Hogeschool Enschede en de verschillende universiteiten in het land. Het aantal dat hoger- en wetenschappelijk niveau studeert is een stijgende lijn. Jaarlijks studeren veel studenten af bij voorkeur in economische, juridische en medische studies. Na het afstuderen werkt men in verschillende segmenten, maar in het bijzonder in de dienstverlenende sector. Studenten die elders in het land op kamers hebben gewoond, komen na het afstuderen vrijwel altijd terug naar Hengelo. Een kleine groep blijft echter in de randstad werken en wonen. De arbeidsmogelijkheden zijn daar immers veel groter. Maar de behoefte om tussen de eigen gemeenschap te leven is heel groot.

Huisvesting

De eerste jaren woonden de meeste in vooroorlogse huizen. Dit heeft aangehouden tot midden jaren ’80. Naderhand ging men zich in betere woonwijken vestigen omdat men zich hier wilde integreren en een goede gezonde omgeving voor hun kinderen wilde. In 1994 was de bouw van de kerk in Groot Driene gestart. Dit vormde voor velen een aanleiding om zich in Groot Driene te vestigen. Momenteel wonen er ongeveer 100 - 150 gezinnen in Groot Driene. Andere wijken met grote concentraties in Hengelo zijn de Hasseler Es en de Vossenbelt. De koop van huizen is toegenomen binnen de gemeenschap. Het hebben van een eigen woning is een stukje status en wordt als een “ideaal” gezien. In het vestigingspatroon van de Arameeërs komt naar voren dat ze in relatief korte tijd op de sociale ladder waren gestegen, sneller dan migrantengroepen die langer in Nederland verbleven. Men wil nog steeds dicht bij elkaar wonen. De sociale controle wordt voor lief genomen, zolang familie maar dicht bij elkaar woont. De familie en de kerk spelen een belangrijke rol bij de keuze van huisvesting.

 

Anno 2005

De cultuur van de Arameeërs is volop in bloei. Vanaf het moment dat zij zich in Nederland, in het bijzonder in Hengelo, hebben gevestigd, hebben zij zich op een toekomst in dit land gericht. Hun eigen culturele eigenschappen hebben zij meegenomen en waar nodig werden deze door de Nederlandse cultuur ingeruild. Er heeft een grote verschuiving plaatsgevonden op het gebied van emancipatie, scholing, arbeid en individualiteit. Het aantal huishoudens in Hengelo blijft toenemen, zowel in huur- als koophuizen in de wijken Groot Driene, Hasseler Es en de Vossenbelt. Als gevolg hiervan hebben bepaalde christelijke basisscholen een hoge percentage Aramese leerlingen. De Hengelose Arameeërs zijn nauw verbonden met hun volksgenoten in Borne. De Bornenaren bezoeken bijvoorbeeld de twee kerken in Hengelo en ook Tur Abdin en Baradaeus.

De meeste Aramese jongeren doen ook aan sport. Vooral voetbal is geliefd onder de jongeren. Er zijn dan ook veel Arameeërs te vinden bij de lokale verenigingen, zoals Juliana ’32, Achilles ’12, BWO en Tubantia, waar Arameeërs zelfs in de eerste elftallen voetballen.

De Aramese gemeenschap heeft een voet aan wal gezet in Hengelo. Allen zien zij Hengelo als een thuishaven en bouwen hier verder aan hun toekomst.

 

Aanbevolen Literatuur & Links

* J. Schukkink, De Suryoye: Een verborgen gemeenschap. Een historisch-antropologische studie van een Enschedese vluchtelingengemeenschap afkomstig uit het Midden-Oosten (Enschede, 2003); zie pp. 355-369 voor literatuur over de Arameeërs in het algemeen en Nederland in het bijzonder.

* S.P. Brock e.a., De Verborgen Parel: Het Aramese Erfgoed en de Syrisch-Orthodoxe Kerk (Rome, 2001); vgl. korte bespreking ervan door J. Messo in Pokrof 49:3 (2002), pp. 6-7.

www.baradaeus.nl: de officiële website van de vereniging Baradaeus.

 

www.turabdinhengelo.nl: de officiële website van de vereniging Tur-Abdin.

www.suryoyo.nl/turabdin: voor recente foto’s van dorpen in Tur ‘Abdin gemaakt door Sylvia Onsal.

www.midyat.nl: voor artikelen over Arameeërs en recente foto’s van de stad Midyat in Tur ‘Abdin.


* Download ook de gescande pagina's van de originele versie die op 17 november 2005 verschenen is in J. Scherasek e.a. (ed.), Jaarboek Hengelo 2005/6 (Elbertinck: Hengelo, 2005), pp. 42-51.

Omhoog