‘Wanneer een volksgenoot leed ondervindt, heeft zo’n incident directe invloed op de rest van het volk. Het boezemt angst in.’


In 1956 ben ik in het dorp Arbo geboren waar ik tot aan mijn tiende of twaalfde heb gewoond. Daar heb ik drie tot vier jaar les gehad. Zo’n twee jaar van Gabro uit Mzizah, daarna ruim een half jaar van Habib Kurt uit Kerburan en ten slotte een half jaar van Aziz Bulut die vandaag in Hengelo woont. In Turkije heb ik alleen de lagere school afgemaakt. De middelbare school kon ik niet volgen, omdat ik in 1969 voor drie jaar lang van Arbo naar Mardin verhuisde.

 

Van 1976 tot en met 1977 heb ik ook dienst gedaan in het leger. Persoonlijk heb ik tijdens mijn dienstplicht geen leed ondervonden. Maar als veel van mijn broers, vrienden of volksgenoten het moeilijk hadden, dan leed ik vanzelfsprekend ook mee.

 

Voordat ik kwam op 6 juli 1980 in Nederland in arriveerde, hoorde ik in 1974 voor het eerst dat er volksgenoten waren die in Zweden asiel hadden aangevraagd. Dat had ik per schrijven meegekregen van mijn zus Lamha die zich toen al in Zwitserland bevond. Ze stuurde me een brief waarin ze me opriep om samen met mijn broers en vader naar Zweden te emigreren op haar kosten. Want volgens de berichten die ze had ontvangen, kregen de mensen daar huizen toegewezen, salarissen en wat al niet meer. Ik schreef haar echter terug: ‘We hebben er geen familie of vrienden. We wonen hier en leiden een degelijk bestaan. Waarom zouden we daar naartoe moeten vertrekken? Ik ben tevreden met mijn leven en wil er zelf niet heengaan. Dit is ons thuis. We zijn hier opgegroeid, leven tussen ons eigen volk en het is fijn wonen hier in Midyat.’

 

Daarna ging ik in 1976 het leger in. Maar toen ik eenmaal terugkwam, was Midyat ineens compleet veranderd! Veel van onze volksgenoten waren intussen naar Europa gevlucht. Naar Duitsland, Zweden, Nederland, België, Zwitserland, Oostenrijk, Amerika en zelfs Australië. Toen dacht ik bij mezelf: ‘Waarvoor blijf ik hier vandaag nog? Of dit volk zijn bezittingen, landerijen en huizen heeft verkocht of niet, wat doe ik hier nog? Iedereen vlucht toch weg, vandaag eerder dan morgen. Tussen  1978 en 1980 was er bovendien ook heel veel angst vanwege de strijd tussen het Turkse leger en de Koerden in Midyat en omgeving. Iedere avond was het weer raak en raakten ze slaags met elkaar. Het was een echte oorlog. Daarom trok ook ik uiteindelijk de conclusie om naar Europa te vluchten.

 

Ik was naar Nederland gekomen, omdat mijn vader en jongere neef Hinno Akman (die eerst in Goor woonde maar nu in Enschede) reeds zo’n twee jaar eerder hierheen waren gekomen. Eerst kwam mijn neef, de zoon van mijn vaders broers, hierheen. Hij had ons namelijk een keer op de legerbasis bezocht. Toen hij ons zo opgebrand zag en hoorde wat we allemaal moesten doorstaan, ontvluchtte hij Turkije uit vrees voor wat hem in het leger te wachten stond. We onderhielden daarna nog contact met elkaar via brieven die we elkaar opstuurden of soms zelfs telefonisch.

 

Op die manier heb ik hen ook geïnformeerd dat mijn broers, mijn moeder, mijn vaders zus en ik naar Nederland zouden komen. Eerst gingen we voor een week naar Istanboel, waar de broer van mijn vader Aho verbleef. Toen vertrokken we met het vliegtuig naar België waar we  door mijn neef Hinno en enkele Nederlanders werden opgewacht. Ze brachten ons naar Schijndel waar ik net als mijn vader die zich daar ophield asiel had aangevraagd. Mijn vader zat hier als gevolg van de bezetting van de St. Jan kathedraal in Den Bosch. De bezetters werden nadien verspreid over de regio.

 

In de eerste twee jaar dat ik in Nederland verbleef, werden behoorlijk wat Aramese gezinnen onderdak geboden in de pensions van Schijndel en Den Bosch. Daar onderwees ik hun kinderen. Dit wierp spoedig zijn vruchten af. Op een keer kwamen de monnik Simon Can uit Jeruzalem en de kerkleraar Amanuel Inan uit Hengelo een keer met een groepje misdienaars langs. Toen ze zagen dat onze kinderen evengoed bijdroegen aan de misdienst, merkten ze achteraf op dat ze hun groepje eigenlijk voor niets hadden meegenomen.

 

Ik was toen nog vrijgezel en onderwees de jongeren in de pensions kosteloos. Zelfs mijn reiskosten hoefde ik niet vergoed te hebben. Daarmee wilde ik deels mijn dankbaarheid tonen voor mijn verblijf in het pension van Schijndel waar ik in totaal zo’n twee jaar heb gezeten.

 

Mijn verzoek om een verblijfsvergunning was eerst afgewezen, maar mijn advocaat had bezwaar aangetekend tegen dit besluit en had het succesvol bevochten bij de Raad van State. Toentertijd had men slechts één procent kans dat je verzoek werd toegewezen.

 

Voor mijn vluchtverhaal had ik het volgende verhaal verteld. Destijds waren er drie Arameeërs uit het dorp Ehwo vermoord onderweg naar Nusaybin. Ik herinner me de namen van twee van de slachtoffers, Efrem en Simon. Ik had niet direct iets te maken had met dit moordincident. Maar hierdoor namen de spanningen in ons gebied wel toe. Vooral angst en vrees overmeesterden ons. Dat was voor mij reden genoeg om te vluchten. Ik wilde voorkomen dat ook mij wellicht hetzelfde lot zou wachten. Je kunt stellen dat wanneer een van onze volksgenoten leed ondervindt, zo’n incident directe invloed heeft op de rest van het volk. Het boezemt angst in. We hoeven niet per se altijd individuele gevallen te bekijken, maar moeten juist steeds rekening houden met de context en het grotere plaatje.

 

Zo’n twee maanden nadat ik in Nederland was aangekomen, was er een staatsgreep gepleegd in Turkije [12 september 1980, JM] en hebben we de nasleep ervan gelukkig niet meegemaakt. Als gevolg werden er korte tijd later bijna overal visumvergunningen ingevoerd, behalve in België. Maar ik kan wel zeggen dat we met eigen ogen konden zien hoe de situatie in Zuidoost-Turkije verslechterde. Je proefde de spanningen dagelijks. De vader van Elias Cavus, wijlen Hobil, was ook op een avond thuis in Midyat in koelen bloede doodgeschoten.

 

In december 1981, ongeveer een half jaar voor de toekenning van mijn verblijfsvergunning in 1982, had ik al een keer kennisgemaakt met het kerkbestuur in Enschede dat op zoek was naar een pastoor. Er waren ook andere kandidaten. Een van hen was de huidige aartspriester Abrohom Garis uit Göteborg in Zweden. Sommige bestuursleden zagen in hem de nieuwe pastoor, maar hij liet verstek gaan en informeerde hen dat hij niet meer kon komen. Toen ze korte tijd later bij mij uitkwamen, kwamen we er al gauw uit. Op 20 juni 1982 werd ik uiteindelijk door wijlen aartsbisschop Mor Yulius Yeshu Cicek tot pastoor gewijd.

 

Sindsdien ben ik doorgegaan als kerkleraar, totdat Barsaumo Dogan eind 1985was gekomen en ik de lessen aan hem had toevertrouwd. Toen hij wegging, heb ik weer de kerklessen ondersteund. Twee, drie jaar later kon ik geen les meer geven vanwege mijn stembanden.  Niettemin help ik ze sindsdien nog steeds af en toe. Op 26 september 2009 ben ik ten slotte gepromoveerd tot aartspriester.

 

Behalve mijn priesterlijke ambt heb ik vijftien jaar lang in heel Nederland Syrisch-orthodoxen bezocht die geen lid waren van de Syrisch-orthodoxe kerk. In vluchtelingenkampen, pensions, bejaardentehuizen en bij mensen thuis.

 

Steden waar ik geloofsgenoten heb bezocht, waren onder andere Vlissingen, Breda, Roosendaal, Den Bosch, Assen, Alkmaar, Arnhem, Utrecht, Tilburg, Eindhoven en Zwolle. Ik had werkelijk geen plek waar een geloofsgenoot of volksgenoot zich ophield, onbezocht gelaten. Zelfs de kleinere steden en de dorpen, zoals Ede, Almelo, Nijverdal en omgeving, Emmen, Ommen, Aalten, Winterswijk, Slagharen, Coevorden, etc. Ik zeg je, heel Nederland heb ik meerdere malen afgereisd. Ik kan nu niet alles opnoemen, maar als we iedere provincie afgaan, kan ik je precies vertellen welke steden en dorpen ik heb aangedaan.

 

Ik bezocht iedereen zodat achteraf niemand kon zeggen dat ons volk geen volksgenoten heeft die zorg dragen voor hun eigen volk. Zelfs in Den Oever in Noord-Holland, dat verder ligt dan Brussel, had zich een illegale familie schuilgehouden. Daar bevonden zich tien tot vijftien Syrisch-orthodoxe gezinnen. In de avonduren bezocht ik hen en de volgende ochtend droeg ik een misdienst op of we baden samen het gebed van die desbetreffende ochtend. Hier kwamen weleens Nederlandse gelovigen op af. Soms waren ze zelfs in de meerderheid.

 

Ik zal je zeggen waarom ik me met hart en ziel heb ingezet voor deze mensen. Toen ik zelf in het pension zat en er kwam een volksgenoot langs, niet per se een geestelijke, dan werden we dolblij met zijn of haar komst. Dat warme en blijde gevoel is me altijd bijgebleven en ik wilde op die manier ook de vergeten mensen in moeilijke posities verblijden.

 

We moeten ons volk in de diaspora van meer kennis en informatie over ons geloof voorzien. We moeten de diverse doelgroepen beter bereiken. Onder de 35 of 40 jaar weet bijna niemand iets van de Bijbel, ook niet hoe of wat ze moeten bidden. Alleen op die manier kunnen we hen voor onze kerk behouden, anders gaan we de komende jaren gestaag gelovige leden verliezen. Iedere week lezen we tijdens de kerkdienst uit de bijbel en bevatten onze liturgische boeken inspirerende boodschappen. Het is jammer dat ze niet worden verstaan. Men beweert omdat het zogenaamd klassiek Aramees is, maar we doen toch juist ons best om alles te vertalen in het modern Aramees zodat het voor iedereen begrijpelijk wordt?

 

De oplossing om de gemeenschap doeltreffend te bereiken, is om net als de apostelen vroeger onze gelovigen in iedere stad of dorp te laten opzoeken door theologisch sterk onderlegde predikers. Mensen moeten vertrouwd raken met de bijbel. Daarom moedigen we onze leden aan om het Woord Gods dagelijks te bestuderen – hetzij in de kerk, hetzij thuis met het gezin.