‘In het begin streden en lobbyden we intensief voor erkenning van onze christelijke identiteit.’

 

Ibrahim Tok uit Zuidoost-Turkije arriveerde in 1971 als gastarbeider in Nederland. Mede als tolk had hij een prominente rol binnen de Aramese gemeenschap in de jaren zeventig. Hij vulde deze in door zich met hart en ziel in te zetten voor de erkenning, het behoud en de bevordering van de miskende identiteit van zijn volk.

 

In 1953 of 1954 hadden we weer eens problemen in Miden, mijn geboortedorp. Mijn vader werd gearresteerd maar kon dankzij steekpenningen worden vrijgekocht. Zo’n tien jaar eerder, in november 1942, had de Turkse overheid een drukkende vermogensbelasting ingevoerd die vooral bedoeld was voor niet-moslims. Christenen moesten astronomische bedragen en veel bezittingen aan de staat afstaan. Oh, we hebben als volk zoveel nare dingen doorstaan…!

 

In ons dorp produceerden we zoetigheden en suiker. We moesten zowat de hele productie aan de staat laten. Ze lieten ons niet ongehinderd handeldrijven of gewone beroepen uitoefenen. We konden en mochten weinig doen, onze handen waren gebonden. In Miden waren we niet arm, onze familie bestond uit handelslieden en we hadden het relatief goed. Met de toename van de populatie steeg de werkloosheid. Onder de beperkte, zware levensomstandigheden waarin we ons bevonden, was het opbouwen van een leefbare samenleving uitgesloten. Voor veel Arameeërs was er amper kans op overleving. Mede hierdoor ben ook ik uit noodzaak uit deze open gevangenis weggevlucht voor een betere en vrijere toekomst.

 

In 1971 was ik in Amersfoort aangekomen, mijn vrouw Bercin kwam 3-4 maanden later. In heel Europa bestond er toen nog geen Aramese organisatie. Het was moeilijk aan te tonen wat mijn identiteit was. Men dacht dat ik een Turkse moslim was. Daarom heb ik enige tijd later samen met Armeense gastarbeiders uit Almelo ergens in 1972 een vereniging in het leven geroepen. Ons voornaamste doel bestond eruit om te bewijzen dat niet iedere Turkse staatsburger moslim was en dat er van oudsher ook christenen in dat land woonden.

 

In Amersfoort waren er zes andere Arameeërs uit Tur-‘Abdin werkzaam: Petrus Cantekin, Asmar Arun, Efrem Gecer, Shabo Alkan, Elyas Bozkurt en Gharibo Bulut. Later voegden zich nog twee Arameeërs bij ons: Elyas Aktan verliet Arnhem en Gebro Akfidan kwam uit Eindhoven. Toen ik naar Oldenzaal was verhuisd in 1972, had ik eerst Petrus Cantekin en zijn vrouw naar Twente laten overkomen, daarna volgden de anderen. Ik wilde dat ze zich bij onze vereniging aansloten. Zo hadden we acht families ofwel 12 personen die waren verenigd en konden we samen laten zien dat er wel degelijk christenen uit Turkije in Nederland waren. We hadden eens serieuze onenigheid met de politie omdat ze onze christelijke identiteit in twijfel trokken. We hielden ons niet in en hebben toen onze stemmen verheft om helder te maken dat we wel degelijk christenen waren. Ik riep onder andere luid het volgende: ‘Hoe kunnen jullie me als moslim zien? Zelfs een Turk uit Turkije beschouwt me niet als moslim!’

 

Na zo’n 15 dagen in Amersfoort te hebben gezeten, kwam ik als gastarbeider in Hengelo aan. Ik vond het maar niets hier en wilde diep van binnen terugkeren naar El-Aziz. Ik moest naar personeelszaken gaan, maar eindigde bij sociale voorzieningen. Ik had Hanna Kulhan en Bahe Uncu gebeld en vroeg hen om financiële hulp. Dominee Mak van de Ark in Klein Driene had ik toen ontmoet. Aangezien ik toen al een beetje Engels kon, vroeg hij me of ik als tolk wilde optreden. Zodoende ben ik enkele jaren vertaler geweest.

 

In het begin had ik het zwaar in Nederland. Niemand van ons had een rijbewijs of een auto, we gingen op de fiets naar werk of vergaderingen. Ik vertrok erg vroeg in de ochtend naar werk en keerde meestal laat in de nacht terug naar huis. Het was niet makkelijk allemaal en ik worstelde vooral met hoe de Nederlandse omgeving een onjuist beeld van me had gecreëerd. Als christen voelde ik me vaak gekwetst doordat mijn identiteit niet werd erkend. In Turkije hadden we geen andere keus dan deze realiteit te accepteren, maar hier merkte ik dat ik daar veel moeite mee had. Daardoor ben ik gaan opkomen voor mezelf en mijn volk.

 

In 1972 woonde ik samen met zo’n 16 mensen 1 à 2 keer per maand Bijbelstudies bij.

 

Toen er geleidelijk een vluchtelingenstroom op gang kwam, was Bedros Ögunc uit Duitsland de enige Syrisch-orthodoxe pastoor in Europa. Hij was al drie jaar in Europa, maar ik had hem nog niet gezien. Caritas betaalde zijn salaris, huis, onkosten en meer, alleen had hij nog nauwelijks iets voor zijn volk gedaan. Toen hij in de midden jaren zeventig naar Hengelo kwam, ontstonden er problemen dankzij hem. Hij was immers jaloers toen hij eenmaal zag wat wij in Hengelo allemaal hadden neergezet. Een van de problemen ontstond door de merkwaardige benoeming van de 13-jarige Fikri Sümer tot representant van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap bij de Nederlandse Raad van Kerken die onder leiding stond van dr. Violet. Zo’n jongetje aanstellen voor zo’n belangrijke functie was in vele opzichten verkeerd en onverantwoord. Hierdoor heb ik zo’n zes tot zeven jaar niet met hem gesproken, omdat er sprake was van vriendjespolitiek. Op dat moment waren we juist bezig om onze gemeenschap op de kaart te zetten en hadden we dringend behoefte aan ervaren en representatieve vertegenwoordigers.

 

Er woonden 84 mensen in slechts drie huizen van Hanna Kulhan en Bahe Uncu in Hengelo, en mijn huis in Oldenzaal; ik had van 1972 tot 1978 in Oldenzaal gewoond. Niet lang na mij arriveerden Ilya Aksan en David Messo in Hengelo.

 

In 1977 was hier aan de Deldensestraat de Stichting Buitenlandse Werknemers gevestigd waar Ilya Aksan en ik werkzaam waren. Toen een jaar later Bureau Vluchtelingenwerk officieel een kantoor had geopend voor ons aan de Havenstraat, met behulp van subsidie van het Ministerie van Cultuur, werden Ilya en ik onderdeel van een zeskoppige staf.

 

Toen in 1981 of 1982 staatssecretaris Haars in Rijssen kwam, waren zo’n 400 dominees en pastoors ergens in een zaal bijeengekomen. Mevrouw Haars wilde haar standpunt verdedigen dat ze geen verblijfsvergunningen meer wilde verstrekken aan christenen uit Turkije. In gebroken Nederlands moest ik haar van Gre Grobben van repliek dienen. Volgens mevrouw Haars was er in het dorp Gunduk Shukro zogenaamd vrijheid en hadden ze er een school. Maar ik reageerde onder andere door te zeggen dat de grondwet onze rechten niet waarborgt, hoe kun zij nu verkondigen dat we in Turkije in vrijheid leefden? Mede als gevolg van mijn weerwoord werd de subsidiekraan dichtgedraaid en hadden ze het bureau van de Vereniging Vluchtelingenwerk gesloten. Enige tijd later werd de Stichting Vluchtelingen Nederland (SVN) opgericht.

 

In Nederland was er helemaal niets geregeld voor de christenen die uit Turkije kwamen. Om die reden moesten we onszelf wel organiseren. We lobbyden intensief voor erkenning van het bestaan van de autochtone christenen uit Turkije. Keer op keer deed het ons pijn dat we voor Turken of moslims werden aangezien, we waren immers geen van beide. We deden ons best om af en toe voorlichtingsactiviteiten te organiseren. In dat opzicht herinner ik me dat professor Johannes van der Ploeg uit Nijmegen een keer de mis had opgedragen in het kapel van het oude Gerardus Majella ziekenhuis in Hengelo waarvoor hij 100 tot 150 gulden aan onkosten ontving. As deskundige kende hij onze taal en traditie goed. Ook had hij ongeveer acht jaar in Irak doorgebracht. Het was buitengewoon interessant te zien hoe een Nederlander getuigde van het bestaan van een van de oudste christengemeenschappen in de wereld die uit het Midden-Oosten naar Nederland waren gekomen. Pastoor Sanders uit Heemstede hielp ons ook een klein beetje, evenals dr. Violet die voorzitter was van de Raad van Kerken.

 

Samen met Ilya en aartsbisschop hadden we ook eens een symposium bijgewoond over de toekomst van de christenen in Turkije. Henk Glimmerveen was ook aanwezig. Een van de oplossingen die zij daar bespraken, was het vestigen van een fabriek voor de lokale bevolking zodat de Koerden de Aramese christenen met rust lieten. Ik gaf echter mijn mening dat werkloosheid niet de hoofdoorzaak was van het toenemende vertrek van de christenen. Vanuit mijn optiek wilden de Turken en de Koerden ons daar koste wat kost gewoon weg hebben. Ik werd niet geloofd, maar ik herinner me dat de ambassadeur uit België eens naar Turkije ging en daar ook de Aramese christenen ter sprake bracht bij de minister van buitenlandse zaken. De ambassadeur vertelde hem dat de Arameeërs asiel zochten in België. Toen de minister hem meedeelde dat er geen Arameeërs in Turkije zijn maar slechts Turken, werden zijn ogen geopend voor de realiteit die de lokale christenen al decennia lang moesten doorstaan. Later zei ik tegen hem: ‘Als jullie ons veiligheid en een eerlijke toekomst kunnen garanderen, keren we terug naar ons vaderland.’ Daarop zocht de ambassadeur andermaal contact op met zijn Turkse collega’s en kreeg hij opnieuw te horen dat er in Turkije alleen maar Turken woonden, geen Arameeërs of andere minderheden. Hierna werd ik pas geloofd en serieus genomen.

 

Toen de Syrisch-orthodoxe Sint Johannes de Apostelkerk in 1977 was gesticht, en de aartsbisschop in 1979 was gewijd, ontstond er een religieus, cultureel en politiek centrum van de Aramese gemeenschap in Hengelo. Deze kerk beschouw ik als het begin van het succes van de jarenlange lobby activiteiten die we hadden ondernomen. Hiermee hadden we voor een belangrijk deel onze doelstellingen bereikt en onze gemeenschap succesvol op de kaart gezet, zowel in als buiten Nederland.